Hoofdstuk 2

ER ZIJN BEPAALDE GRENZEN

 

GENERATIE 1: [I] CLAES SCENERT

Het eerste spoor van de "stamvader" van deze familiegeschiedenis vinden we in de kloosterrekeningen van het klooster Leeuwenhorst.[1] De rentmeester van het klooster hield in de jaarrekeningen bij hetgeen hij ontvangen en namens de abdisse van het klooster ingenomen had en ook over de uitgaven die gedaan werden ten bate van het klooster. Hij moest daar jaarlijks verantwoording over afleggen.

In de jaarrekening over 1438 komen we voor het eerst de naam van de "stamvader" Claes Scenert tegen. Soms werd de naam geschreven als Schenert of Schenairt. Het is nog onduidelijk of de tweede naam, het zogenaamde patroniem, gezien moet worden als "zoon van", dus als Scenertsz. De afkorting -sz. betekent zoon van. Bij de inkomsten over de ontvangen landrenten "In Voirhout" vinden we de volgende post:
" Item Claes Scenaert van Lande dat Hillegont Jan Goeden plach te bruycken 13 stuivers en 6 denieren."
In de jaren daarna, van 1439 t/m 1442 wijzigt de tekst zich enigszins.[2] Het wordt hierdoor duidelijk dat de genoemde Claes Schenairt land huurde dat gelegen was "Inden Werf" en dat dit land voordien gehuurd werd door de weduwe van Jan Goeden. De huur die voor het gebruik van de genoemde percelen betaald moest worden was jaarlijks een beyersche gulden.

Het is mogelijk dat de genoemde landen door een ruiling met de abdis van Rijnsburg in het bezit gekomen waren van het klooster Leeuwenhorst getuige het feit dat Dirk van Teilingen, de vader van abdis Christine van Teilingen, was beleend met deze grond in Noordwijk en Voorhout.[3] Het land genaamd De Werf, was hem eertijds (rond 1300) gegeven door gravin Petronella van Holland, de vrouw van Floris V.

In de rekening over het jaar 1443 komt hij niet meer voor, de volgende huurder is ene verder onbekende Jacob Jansz en het wordt een tijdje stil rond Claes Schenairt. Eerst in de rekening over 1447/1448 vinden we hem terug als hij vis levert aan het klooster.[4]

Bij de uitgavenposten "In die Advent" vinden we onder andere "Ithem Jeghen Claes Scenert gecoft een kyn haryncx om 17 stuvers en 4 denieren". Een "kinnetgen" bevatte iets meer dan 200 haringen.
Een aantal jaren later wordt hij in de rekeningen over 1451/52 genoemd als graanleverancier.[5] Het is niet erg waarschijnlijk dat hij als visserman actief is geweest, het meest voor de hand ligt dat hij de vis tegen ruiling van graan of andere zaken van het door hem bewerkte land had verkregen en doorleverde aan het klooster.

In 1449 werd hij opnieuw huurder van grond van het klooster, maar nu te Noordwijk. Na het overlijden van haar man in 1446, was de weduwe van Gheryt Vossen nog een paar jaar de huurster van grote percelen grond, die in totaal ongeveer 24 pond aan huur moesten opbrengen.[6] Claes Scenert nam hiervan een derde deel voor zijn rekening en betaalde voor dat camp land 6 1/2 Wilhelmus schilt aan huur. In de jaarrekening van 1445 wordt nog vermeld dat deze grond voordien gehuurd werd door Jan Schout.[7] Met deze Jan Schout werd Jan die bastaert van Noortich bedoeld, wat in die tijd de naam van het huidige Noordwijk was. Evenzo werd Noordwijkhout Noorticherhout genoemd. Een aantal jaren later wordt Claes Scenert in de kloosterrekening van 1453/1454 genoemd.[8] Ook in de jaren tot en met 1463 is dit het geval. In hedendaags Nederlands vertaald luidt de akte als volgt (zie bijlage A voor de originele aktie):

" Noirticherhout"
- "Idem Claes Scenert van het stuk land dat Florys van Loen gebruikte en is een kamp land van 5 morgen
- nog van een kamp van 3 morgen- nog van twee viertelen, elk 28 voeten breed, strekkende van de hoofdwatering daar zijn werf daar zijn huis op staat aan de gooweg
- Idem nog van 1 akker van 21 voet breed, strekkende van de kerkweg aan de molenweg
- nog Claes van een stuk geestland en is 42 voet breed, strekkende van de molen aan de kerkwech in de del
- nog Claes van 4 akkeren van 9 roeden en 8 voet, strekkende van de markensloot aan de gooweg tezamen voor 3 nobel maakt 9 pond 16 stuvers ".

Uit deze akte blijkt dat het huis en de werf van Claes gelegen was aan de Gooweg en hoewel de beschreven percelen grond onder Noordwijkerhout vielen, de afdracht van de huur werd geïnd onder: "Noirtich" waardoor het aannemelijk is dat hij hier woonachtig was.[9] Een huurcontract van de bovengenoemde percelen werd in het huurboek van 1444 evenwel niet gevonden, wel die van de "volgende" huurder.[10] In de kloosterrekeningen vanaf 1464 staat deze Claes van Loen, een zoon van de in de akte genoemde Florys van Loen, vermeld.

In het jaar 1454 wordt Claes Scenert genoemd in een akte betreffende percelen land die door de Schout van Noordwijk, een "asinghe" en zeven bueren (ambachtsbewoners) "afgepaald" werden ter verkrijging van nieuw te ontginnen grond.[11] Dit zogenaamde "zeventuig" was een groep mensen die veelal gevormd werd uit de eigenaars van zeven belendende percelen en die optraden als (ge)tuigen. De asinc of asinghe was een rechtsadviseur, die een en ander juridisch begeleidde. In dit geval, waarbij het klooster de eigenaar was, is het duidelijk dat gekozen werd voor zeven vertrouwelingen die een goede relatie hadden met het klooster en met het ambacht Noirtich / Noirticherhout.
De akte is onder andere interessant omdat de percelen die daarin vermeld staan in latere jaren door de nakomelingen van Claes van het klooster gehuurd werden.

Vertaald in hedendaags Nederlands luidt de akte ongeveer als volgt (zie bijlage B voor de originele akte):

"In het jaar 1454, op donderdag na dertiendag [8 januari] toen heeft Willem Bartoen als rentmeester namens het klooster Leeuwenhorst de grond gepaald (afgebakend) die gelegen is naast die (de grond) van Jan Smyt en Pieter, zijn zoon, ter plaatse van waar zij nu wonen. In de eerste plaats werd aan de oostzijde van hun huiserf afgebakend waarbij het klooster de helft van de sloot, gelegen tussen de twee wegen, toekwam. Idem aan de zuidwestzijde van het huis in de weide, werden twee palen gestoken, strekkende van de Heerweg (huidige Gooweg) naar de Bronsgheesterweg. Het land is vier roeden en een voet breed in noordwaartse richting en strekt zich in zuidwaartse richting uit aan de weg.

Idem nog een stuk geestgrond afgebakend gelegen aan de westzijde van hetzelfde huis tussen de Heerweg en de weg die men tot Katwijk aan zee "vaert" en die zich strekt aan de weide van Gheryt de Wit en dit geestland is drie roeden en zeveneneenhalf voet breed. Dit werd afgebakend door Adriaan Florisz, schout van Noirtich geassisteerd door de asing Jan Jansz wonende tot Lisse en door zeven buurlieden (bewoners van het ambacht als getuigen) hierna genoemd."
Eronder volgen de namen van Willem Coppal, Jan vander Bregge, Dirc Claesz, Claes Scenert, Pieter Dircz, Jan van Sassem, Floris vande Oever.

Hij verdwijnt hierna enige tijd uit beeld totdat we in het jaar 1469 zijn spoor terugvinden en wel in het "Huyerboeck van de kloosters landen anno 1444 van rentmeester Willem Bartoen".[12] Hierin komen we een huurcontract tegen waarbij aan Claes Scenerts gedurende twee jaar, tegen een huur van 5 pond paeyment, omtrent 14 hont malant (slecht, drassig land) verhuurd wordt, liggende "ande westzyde vanden aeck (eik)". Na deze periode van twee jaar wordt de huurperiode met nog eens 5 jaar verlengd. In het jaar 1475 werd het huurcontract van dit perceel overgezet op naam van een zekere Jan Philipsz.[13] Verder wordt duidelijk dat het land gelegen was aan de bronsgeesterweg, strekkende van het land van Willem vander Boechorst aan het houtmeerkamp, ten zuidoosten van de watering achter de hofstede waar Floor Bruynen plach te wonen. Uit nog een andere akte is af te leiden dat deze identiek is met Floris Symonsz cuyper en dat het land gelegen was op de grens van Noordwijk en Noordwijkerhout.[14]


[1] Lwh / Inv.37(1438)fol.17/Vh
[2] Lwh / Inv.38(1439)fol.4v/Vh t/m Inv.41(1442)fol.4v/Vh
[3] G. de Moor - Verborgen en geborgen. Het cisterciënzerinnenklooster Leeuwenhorst in de Noordwijkse regio (1261 - 1574) blz.50 zie ref.122 - Verloren Hilversum 1994
[4] Lwh / Inv.46(1447)In.die.Advent
[5] Lwh / Inv.51(1451) volgens Mevr.Dr. G. de Moor
[6] Lwh / Inv.48(1449)fol.2/Nw
[7] Lwh / Inv.44(1445)fol.2/Nw
[8] Lwh / Inv.55(1453/54)fol.10v/Nwh
[9] Lwh / Inv.66(1462)fol.4/Nw t/m Inv.78(1474)fol.1v/Nw
[10] Lwh / Inv.4(1444)fol.11/Nwh
[11] Lwh / Inv.3(1413)fol.68v/Nw
[12] Lwh / Inv.4(1444)fol.2/Nw
[13] Lwh / Inv.5(1470)fol.11/Nw
[14] Lwh / Inv.5(1470)fol.39/Nwh


BIJLAGE A

Nationaal Archief, voorheen het Algemeen Rijksarchief Zuid Holland

Archief van de Abdij van Leeuwenhorst

Toegang 3.18.17.01

Huurboek van de Landen in Rijnland en 't Westland

Inventarisnr. 55 (1453/1454) folio 9 verso




Noorticherhout

” Ith Claes Scenert van die saet lants die Florys van Loen plach te bruken ende is een camp lants van 5 morgen . noch een camp van 3 morgen . noch twee viertelen elcx 28 voeten breet streckende vanden hoeftwateringe daer syn werf dair syn huys op staet opten gowech . Ith noch een acker 21 voet breet streckende vanden kercwech anden molenwech . noch Claes een stucke geestlants ende is breet 42 voet streckende vanden molen anden kercwech In die del . noch Claes vier ackeren en syn 9 roeden en 8 voet streckende van die markensloet anden gowech .

te samen om 3 nobel, facit 9£ 16 St ”


BIJLAGE B

Nationaal Archief, voorheen het Algemeen Rijksarchief Zuid Holland

Archief van de Abdij van Leeuwenhorst

Toegang 3.18.17.01

Huurboek van de Landen in Rijnland en 't Westland

Inventarisnr. 3 (1413) folio 68 verso


Noortich

” In jaer ons heer dusent vierhondert Liiij des doenredaghes na dertyen dach doe paelde Willem Bartoen als een rentemeester van der cloestern weghen van der Lee teghens Jan Smyt en Pieter syn z(oon), dair sy nu wonen. Inden eersten aen die oestzyde van hoir huyskoirt dat cloester half den sloet toe tusken die twe weghen . Ith aen die suytwestzyde vanden huysse In die weyde wair den twe paellen ghesteken streckende vanden heerwech op bronsgheesterwech . dat Lant is breet vyer roeden ende een voet dat noirt ende streckende suytwairts op anden wech . Ith noch een stucke gheest lants ghepaelt ende leyt an die westzyde vanden selven huysse voirsz ende die wech diemen tot Catwyck op die see vaert streckende an Gheryt die Wytten weyde ende dit gheestlant is breet drye roeden vij s voet . Dit is ghepaelt by den scout van noirtich . op die tyt was Adriaan Florisz ende by den aessinghe Jan Jansz wonende tot Lys . ende by seven buyeren hier naghescreven.

Willem Coppal, Jan vander Breg, Dirc Claesz, Claes Scenert, Pieter Dircz, Jan van Sassene, Florys van Oever.