Hoofdstuk 4

ZO VADER, ZO ZOON (2)

 

GENERATIE 2: [II-B] JACOB SCENERT

Een tweede zoon van Claes [I], namelijk Jacob Scenert, treffen we enige jaren later aan in het Huyerboeck van anno 1444 van de kloosters landen.
Het huurcontract, een akte van 1466, beschrijft een viertal percelen waarvan het eerste gelegen is op het grondgebied van Voorhout ter hoogte van de Hogeveense poldermolen, bij de huidige Noordwijkerhoekbrug; de andere percelen liggen in de Bronsgeest, het gebied ten zuidwesten van het klooster Leeuwenhorst en ten noordoosten van Noordwijk (zie bijlage D voor de originele tekst):

"Ik Willem Bartoen laat een ieder weten dat ik verhuurd heb aan Jacob Scenert een stuk broekland ter grootte van 14 hond liggende aan de oostkant van de hofven, langs de Wateringe, gedurende 5 jaar waarvan het eerste jaar zal ingaan in het jaar 1466, voor 7 pond per jaar. Idem nog (heb ik) aan de voornoemde Jacob verhuurt een kamp broekland van ongeveer twee morgen liggende zuidwaarts achter de Bronsgeesterweg. Idem nog vier hond geestland aan die westzijde van de hofstede van Pieter Smyth tussen de twee wegen, per jaar voor 6 Wilhelmus schilden gedurende de eerder genoemde jaren, doch (hij) mag het broekland niet inzaaien. Idem nog (heb ik verhuurd aan) Jacob vier hond geestland, strekkende van de Bronsgeesterweg naar de Heerweg voor 25 stuivers per jaar".[1] De kloosterrekeningen tussen 1467 en 1476 bevatten evenals een vervolghuurcontract van 1476 meer details wat betreft de ligging en de vorige huurders.[2],[3] Het huurcontract werd afgesloten met Ewout, de zoon en opvolger van rentmeester Willem Bartoen en kwam eveneens op naam te staan van Jacob Scenert.[4] Het vorige huurcontract, dat van 1466 tot 1470 liep, zal stilzwijgend verlengd zijn (zie bijlage E voor de originele tekst):

"Ik Ewout Willem Bartoen laat een ieder weten dat ik namens het klooster ter Lee verhuurd heb aan Jacob Schenairt, twee morgen broekland gelegen achter Alyt Pieter Smits, die door Jacob gehuurd werd. Idem nog omtrent 6 hond teelland ervoor gelegen, aan de zuidwestzijde tussen de twee wegen, waarvan het klooster 2 1/2 hond van Ewout gehad heeft en dat door Jan Symonsz gehuurd werd. Idem nog omtrent 4 hond teelland gelegen "Int gansenest" aan de zuidzijde van de Bronsgeesterweg dat door Huych van Bergh werd gehuurd en is gelegen aan de noordoostzijde van de "hoffenne" (Offem) langs de watering en zich strekt aan
"de Wilpen". Dit alles tezamen jaarlijks voor 14 Rijnsgulden van 40 groten per stuk. De huur zal ingaan in het jaar 1476, gedurende [niet ingevuld]".

Het perceel van ca. 2 1/2 morgen dat voordien door Huyge van Berge werd gehuurd, lag ten noordoosten van het landgoed Offem langs de Dinsdagse Wateringe en strekte zich tot aan "de Wilpen". Deze zeer oude veldnaam vinden we terug in een van de kaartenboeken die door een van de landmeters van Rijnland vervaardigd werden. In de eerste helft van de 17e eeuw liet het Sint Catharynengasthuis door Jan Pietersz Dou een perceel opmeten dat naast dat van het Convent van Leeuwenhorst lag. Van dit perceel en van de wijde omgeving werd een landkaart vervaardigd.[5] Op 21 juli 1553 kregen "De zusters", hiermee werd bedoelt het convent van Leeuwenhorst, van de dijkgraaf en hoogheemraden van Rijnland vergunning om de Wateringe uit te baggeren.[6]

"Consent omme die zusters binnen Noortwyck"
De zusters binnen het dorp van Noordwijk is toestemming verleend om te baggeren in de Wateringe gelegen in de heerlijkheid van Offem, voor haar eigen land liggende aan beide zijden van deze watering die zich uitstrekt van de Kruiswatering tot aan de hoge boom. Deze landen zijn genaamd, aan de ene kant van de watering "de grote Wulpen" en aan de andere kant van dezelfde watering "de Bijl". Mits conditien dat die susteren niet vorder en zullen moghen baggeren dan haere landen streckende zyn op te boete daer toe staende".

De situatie bij de huidige Noordwijkerhoekbrug vraagt enige uitleg. Ter plekke kruiste de weg van Noordwijk naar Voorhout de Dinsdagse Watering.

Bij consent van 7 september 1538 werd het "die van Noirtwyck ende Noirtwyckerhout toegestaan om t steenen hueltgen (bruggetje) inde Watering byden hoghen boom tusschen Noirtich ende Voirhout dat men reyt of ghaet naede Bronctgeest of zullen moegen breecken ende een wedde ter selver plaetse maecken dat men die met waegen ende paerden over mach reyden, mits dat zy gehouden zullen wesen eenen hooghen boom over deselve wateringh te leggen ende onderhouden met een leuninghe dat een yegelyck te voet ghaende daer by gerief mag wesen".

Met de hoge boom werd dus een (verplaatsbare) overbrugging bij de huidige Noordwijkhoekbrug bedoeld. Door een plank die breed genoeg was en voorzien was van een leuning konden personen die te voet gingen de watering oversteken. Door de weg aan beide zijden van de oversteek een paar meter op te hogen had het scheepvaartverkeer ter plekke geen hinder van de voetgangers. Ter plaatse was ook een wedde oftewel een doorwaadbare plaats voor wagens of paarden. Het is duidelijk dat de scheepjes klein waren en weinig diepgang hadden.

De percelen van 2 morgen, gelegen ten zuiden van de Bronsgeesterweg en de 4 hond gelegen ten westen van de hofstede van respectievelijk Jan en Pieter Smyth (zie ook bijlage D) zijn exact hetzelfde als die welke Claes Scenert [I] samen met zijn zoon Dirc [II-a] huurde. Het ligt dan ook voor de hand dat deze Dirc ouder was, waarna hij als jongere broer dit contract vervolgde.[7] Het perceel aan de zuidwestzijde van de Bronsgeesterweg gelegen, voordien gehuurd door Dirc Dircxz, was gelegen in "het Gansennest", in latere akten aangeduid als "dat laghe zandt" moeten we situeren aan de huidige Lageweg bij "het Schie", ten noorden van het landgoed Offem.[8] Het Schie is het huidige, laatste deel van de Dinsdagse watering die loopt tot aan de rand van de oude dorpskern. Ook in het verleden, toen dit nog niet gekanaliseerd was, was dit een losplaats voor schepen. De naam stamt van "schieten" ofwel graven.

Als het huurcontract in 1482 verlengd moet worden komt deze op naam te staan van "den prior ende den gemeen convent vanden clooster bij Monikedam", de zogenaamde Broeders van Galileen.[9] Aan huur zou jaarlijks 22 pond van 15 stuivers per stuk moeten worden afgedragen. De huurperiode begint in het jaar 1482 en duurt 10 jaar lang. Jacob blijft echter in de jaren 1482 en 1483 de oorspronkelijke huur evenwel afdragen, zodat het contract mogelijk stilzwijgend verlengd werd.[10],[11]

Jacob Scheenens is bovendien te vinden in de oudste dorpsrekening, waarvan een deel van het jaar 1495 de ontvangst vermeld die door Dirck Dircsz werd overgeleverd.[12]
"Vanden selfden ontfanck by Dirck Dircsz overghelevert in die Kleij, te Langhevelt ende in dat dorp ende is dat vat drie stuijvers. Jacob Scheenens een vat." Verder moest hij een bedrag van 37 Stuijver en 6 denieren betalen voor de koeien die hij had gemolken. Dit waren een behoorlijk aantal koeien.[13]
In de rekening staat vermeld "Dit sijn die koyen (koeien) die ghemolken sijn inden ambocht van Nortich, die beest ende varken die ghesleghen sijn, dair van dat elcke melcke koe gheven sel drie stuijver die in die duyn ghegaen hebben twee stuijver, een vaers half ghelt, elck ghesleghen beest twee stuijver ende varken een stuijver, een half ende vierendeel nae aevenant".
De aanslag luidde: Jacob Schenens ghemolken 11 1/2 koe. ghesleghen een beest ende een varken, 37 stuijver en 6 denieren.


[1] Lwh / Inv.4(1444)fol.8Noirtich
[2] Lwh / Inv.71(1467)fol.2vNoirtich
[3] Lwh / Inv.80(1476)fol.4Noirtich
[4] Lwh / Inv.5(1470)fol.14Noirtich
[5] GAL.Inv.460 Kaartboek van het Sint Catharijnen gasthuis - Jan Pietersz Dou, 1e helft 17e eeuw - Voorhout fol.231
[6] OAR.Inv.216("No.5") fol.352
[7] Lwh / Inv.76(1472)fol.1vNoirtich
[8] Lwh / Inv.7(1509)fol.61vNoortich
[9] Lwh / Inv.5(1470)fol.14bisNoirtich
[10] Lwh / Inv.87(1482)
[11] Lwh / Inv.88(1483)fol.1vNoirtich
[12] GANw.Inv.292(1495)fol.14
[13] GANw.Inv.292(1495)fol.19


BIJLAGE D

Nationaal Archief, voorheen het Algemeen Rijksarchief Zuid Holland

Archief van de Abdij van Leeuwenhorst

Toegang 3.18.17.01

Huurboek van de Landen in Rijnland en 't Westland

Inventarisnr. 4 (1444) folio 8



Noortich

” Ic Willem bartoen doen cond allen luden dat ic verhuyert hebbe Jacob Scenert een stuck broecklants ende is groot xiiij hont ende leyt an die oestzyde vander hofven langhest der Wateringhe v jaer lanc duyerende daer dat eerste jaer of in gaen sel int jaer Lxvj tsiaers om vij pond.

Ith noch Jacob voirß ghehuyert een campgen broeclants omtrent twe morgen ende leyt after bronsgheesterwech suytwaerts . Ith noch vier hont gheestlants aen die westzyde van Pieter Smyths hoffstede stusken die twe wegen tsiaers om vj Wilh. scild dese voirsz. Jaren Wt ende dat broeclant nyet te saen (zaaien). Ith noch Jacob vier hont geestlansts streckende van bronsgheesterwech opten heerweg om xxv stuvers tsiaers ”.


BIJLAGE E

Nationaal Archief, voorheen het Algemeen Rijksarchief Zuid Holland

Archief van de Abdij van Leeuwenhorst

Toegang 3.18.17.01

Huurboek van de Landen in Rijnland en 't Westland

Inventarisnr. 5 (1470) folio 14


Noortich

”Ic Ewout Willem Berthoensz Doe kondt alle luyden dat Ick verhuert hebbe van des cloosters wegen vander lee Jacob Schenairt twee morgen broecklants after Alyt Pieter Smits leggende ende plach Jacob te bruycken . Item noch omtrent vj hont teelants voir Alyt Pieter Smiten an die zuytwestzide tusschen die twee wegen dair dat clooster ij s hont van Ewout off gehadt heeft ende plach Jan Symonsz te bruycken . Item noch omtrent iiij hont teelants gelegen Int gansenest an die zuytzide van bronsgeester wech ende plach Dirc Dircxß In huer te hebben . Item noch omtrent ij s morgen Jan Tryntges broucklants ende plach huych van bergh In huer te hebben ende leit an die die noortoostzijde vander hoffenne lancx die wateringe ende strect an die Wilpen . Dit alte samen Jairs om xiiij Rins gulden t stuck van xL groot . Dese huer sell ingaen Int Jair Lxxvj duerende [ ] Alle die voirb lant weder verhuert Den prior ende den gemeen vanden clooster bij monikedam ende sy sullen dair Jairs van geven twe ende twintich pondt t stuck van vyftien stuvers . Die eerste huer sel Ingaen Int jair twee ende tachtich duerende thien Jair lanck”.