Hoofdstuk 6

DE GESCHIEDENIS HERHAALT ZICH

 

GENERATIE 3: [III-A] GHYSBRECHT JACOB SCENERTSZ

Met wie Jacob Scenert [II-b] gehuwd is geweest is niet teruggevonden in de boeken. Maar ook uit dit huwelijk werden 3 zonen geboren. Zijn eerste zoon, Ghysbrecht Jacob Scenertsz, vernoemd naar zijn oom Gysbrecht Scenert [II-c] komen we voor het eerst in de jaarrekening van het klooster Leeuwenhorst over het jaar 1506 tegen.[1] Hij huwde met Neel Huijgendr, die in de huurcontracten vanaf 1523 genoemd wordt.
Vanaf het jaar 1506 betaalde Ghysbrecht 22 pond 13 stuivers en 4 denieren aan huur van de landen die zijn vader vóór hem huurde. Het ging om de grond waar zijn vader in de periode 1466 tot 1481 een huurcontract over had afgesloten[2] (zie Hoofdstuk 4).

In 1513, het jaar waarin het nieuwe huurcontract op zijn naam kwam te staan, werd deze huur verhoogd naar 24 pond.[3] De tekst van het huurcontact (zie bijlage F voor de originele tekst) afgesloten in 1513 luidt als volgt:

"Ghysbrecht Jacop Scenertsz zeker land verhuurd dat zijn vader vóór hem huurde, te weten twee morgen broekland gelegen achter de woning waar Alijdt Pieter Smits woonde . nog omtrent 6 hond teelland voor dezelfde woning, gelegen aan de zuidwestzijde tussen de twee wegen . nog omtrent vier hond teelland, gelegen in het lage zand aan de zuidzijde van de Bronsgeesterweg en daarbij omtrent 2 1/2 morgen land gelegen aan de noordoostzijde van de hoffenne (Offem) langs de watering en zich strekt aan de Wilpen en Ghysbert zal voor de landen het klooster ieder jaar gedurende de looptijd, ingaande anno 1513 achttien ponden vrij geld aan huur betalen".[4]

Met "vrij geld" wordt bedoeld dat de huurder het land, in tegenstelling tot wat in de voorwaarden bij de pachtovereenkomsten gebruikelijk was, huurde zonder lasten. Hij of zij was daarmee vrijgesteld van het onderhoud aan bijvoorbeeld wegen en weteringen behorend tot het betreffende land. In dit geval werd dat onderhoud gepleegd door dagloners die speciaal voor dit werk op kosten van het klooster werden aangenomen. Ghysbrecht is waarschijnlijk omstreeks 1522 gestorven. Na zijn overleden is Neel Huygendr getrouwd met Jelis Jansz.
In 1523 zou de huur van een deel van deze grond overgaan naar zijn broer Claes Jacobsz [III-b], tussendoor was de huurperiode schijnbaar verlengd tot die tijd.
Het huurcontract van het andere deel van de grond kwam in dat zelfde jaar op naam te staan van Jelis Jansz mandemaker,[5] in de dorpsrekening over 1512 genoemd als ghesworene.

Ghysbrecht Jacobsz blijkt in het jaar 1511, en mogelijk ook al eerder, bovendien grond van het Gasthuijs te Noortwijck te huren.
Het gasthuis in Noordwijk, dat gesticht was in 1340 heeft een aantal functies gehad. Zo diende het als opvang voor pelgrims, kooplieden en zwervers. Verder voor de verzorging van armen en vanaf 1615 diende het als weeshuis. De abdis van het klooster Leeuwenhorst had van ouds her het toezicht op het gasthuis van Noordwijk. Nadat in 1450 het centrum van Noordwijk door brand was verwoest, werden na de herbouw van het gasthuis, de inkomsten hiervan in een groot aantal jaren in de rekeningen van het klooster vermeld. Vanaf 1482 tot circa 1570 kwam de gehele administratie in handen van de abdij.[6] In het Oud-archief van de Gemeente Noordwijk kunnen we een deel van de Gasthuijsrekeningen raadplegen. Niet alle rekeningen zijn bewaard gebleven.

In 1514 kocht het Gasthuis een losrente aan van Ghysbert Jacopsz.[7] Voor het schrijven van een vijftal (rente)brieven kreeg de Noordwijkse schoolmeester Meester Dirck 5 stuivers.[8]
"Ithem ghegeven meester Dirck van 5 brieven te scriven 5 schellingh, te weten Christoffels brief, Ghisb(er)t Jacopsz brieff, meester Pieter, die memory, Gheert Jan Heynryx brief, maakt
6 schellingh en 8 denieren".
De Heilige Geestmeester en Rentmeester van het Heilige Geesthuis binnen Noordwijk boekte deze post bij de uitgaven over het jaar 1514:
"Ithem Ghijsbert Jacopsz heeft ghecoft 4 pond sijaers losrenten op zyn guet na Wtwijst den brief die den heiligengeest dair off heeft . die penninck 18 dair Ick hem voir ghegeven heb 72 pond".
De losrente (tegen de penning 18, dus ruim 5,5 %) was gevestigd op een morgen broekland blijkens de rentebrief die het Heilige Geesthuis daarvan bezat.[9]

In de oudst bewaarde rekening (over 1511) vinden we bij de ontvangsten ook de inning van de pacht van grond dat door het gasthuis was verhuurd. Deze werd door de Rentmeester van het Gasthuis van dat jaar, Jan de bastaert van Noirtich, geadministreerd en moest worden voldaan op Voirschoten ende Valkenburghermart [op de tweede woensdag in september].[10] Ook in de Gasthuisrekening over het jaar 1514 staat hij vermeld, met twee percelen van
respectievelijk vijf en elf hont.[11]
"Ithem Ghysbert Jacopsz bruyct twe stucken Lants van het cloester syairs om 10 pond".
Ook deze grond blijkt volgens de Gasthuisrekening over 1526, aangaande de landrenten van het Heijlighen Gheesthuijs, in het betreffende jaar op naam te zijn overgezet van Jelis Jansz mandemaker.
"Jelis Jansz betaelt jaers van elf hont weijlants ende noch vijf hont lants 9 pond".
In 1525 staat in de tekst in de kloosterrekening dat Jelis Jansz mandemaker de grond huurt in plaats van zijn voorzaet Ghysbert Jacopsz.[12]

In 1517 wordt Ghysbrecht genoemd in een klacht die door de dijkgraaf, op de Rechtsdag in Leiden van 4 augustus 1517, wordt geuit.[13]
Hij klaagde over Gijsbrecht Jacopszoon, Willem Jacopsz [Roe], Arijaen Pietersz en Jeroen Brantszoon, omdat "zyluyden den Noertwyker heerweg, geploecht, gezayet ende also gesmalt hebben" dat die op veel plaatsen niet meer dan 8 of 9 of 10 voeten breed was. De dijkgraaf eiste van ieder van hen een boete. De uitspraak over deze en andere zaken betreffende het ploegen werd uitgesteld totdat de "dijcgraef thuijs gecomen is".

De aanklacht luidde in algemene vorm:
"De dijkgraven beklagen . . . (hier werd ingevuld over wie het ging) . . . . . . En zeggen hem aan dat niemand toestemming heeft en bevoegd is om de heerwegen in het Dijkgraafschap van Rijnlandt in het allerminst te verminderen, verkleinen, af te steken of er enige grond uit te graven en dat dit ook door diverse keuren en ordinantiën van mijne heere de hoogheemraad van Rijnlandt bewust verboden is.


[1] Lwh / Inv.113(1506)fol.11Nw
[2] Lwh / Inv.5(1470)fol.14Nw
[3] Lwh / Inv.122(1514)fol.18Nw
[4] Lwh / Inv.7(1509)fol.61vNw
[5] Lwh / Inv.7(1509)fol.79Nw
[6] G. de Moor pag. 447ev
[7] GANw.Inv.861(1514)fol.9v
[8] GANw.Inv.861(1514)fol.7v
[9] GANw.Inv.861(1514)fol.4v
[10] GANw.Inv.860(1511)fol.1
[11] GANw.Inv.861(1514)fol.1
[12] Lwh / Inv.133(1525)fol.8v
[13] Register van Bestuurshandelingen van dijkgraaf en hoogheemraden, 1515 - 1520 (1524) / Oud-Archief Hoogheemraadschap van Rijnland. Inv.nr.17 - (pag.401-25e) Zie ook in: Regesten van de handelingen van dijkgraaf en hoogheemraden / Leiden 1999 samengesteld door J.H.M. Sloof


BIJLAGE F

Nationaal Archief, voorheen het Algemeen Rijksarchief Zuid Holland

Archief van de Abdij van Leeuwenhorst

Toegang 3.18.17.01

Huurboek van de Landen in Rijnland en 't Westland

Inventarisnr. 7 (1509) folio 61 verso


Noirtwyck

” Ghysbrecht Jacop Scenertsz verhuert seeckere landen die de voirb syne vair (vader) in huyer te hebben plach te weten twee morgen broiclants legghende after die woninghe dair Alijdt Pieters Smits te woenen plach . noch omtrent vj hont teelants legghende voir die selfder woninge an die suytwestzyde tusschen die twee wegen . noch omtrent vier hont teelants ghelegen in dat laghe zandt an die suytsyde van bronsgeesterwech ende dair toe omtrent ij s morgen broic- lants ende leyt an die noirtoostzyde vande hoffenne langhes die wateringh ende strekt an die wilpen ende ghysbert voirb sel van de voirb landen de cloester alle jairs den tyt van deze huyer gheduerende te huyer gheven xviij ponden vry ghelts . ingaende anno xvc ende xiij (1513). Dese voirb eerste twee morgen brouclants ende vj honden teellants elcx by den hoop sonder mate op alle voirwairden voir in dit bouck ende voirt hier ghescreven verhuyert Claes Jacop Schenertsz ende hy sel alle Jairs staende dese huyer ons cloester dairoff te huyer gheven xiiij ponden x Sc. hollants vry gelts van als datter op boeten sal te coemen zuyver ende al vry sonder enich ofslach te nemen altyt dese penninge als t sheeren penninghe of by staen dat alde gheestelicke censueren ofte by staen dat alde pandinghe aen heerens panden de derden penning beter nae vanden voirb den rechte vanden Landen soe t selfde den rentemeester huyrwaer op believen sal . dese huyer sel ingaen annº vyfthien hondert drie ghescreven ende ende twintich en sel dueren thien Jaren lang ”. verhuyert Jelis Jansz