Hoofdstuk 8
WIE WAT BEWAART DIE HEEFT WAT
GENERATIE 3: [III-C] DIRCK JACOB SCENERTSZ
De derde zoon, Dirck Jacob Scenertsz, vernoemd naar zijn oom Dirc Scenert
[II-a], komen we ook in dezelfde lijst in de Dorpsrekening van 1496 - 1497
tegen.[1] Hij staat daarin vlak na zijn broer Claes Jacopsz [III-b], dus gezien de
plaatsing in de lijst eveneens in Bronsgeest.
"Dirick Jacobsz Scheenart een vat byers . ghesleghen een beest . een varken ende
ghemolken 6 koyen, facit 2 pond en 2 stuvers".
Dirck Jacopsz wordt zowel in de Gasthuisrekening van 1511 als in die van 1514
genoemd als ambachtbewaarder. In het eerst genoemde jaar kreeg hij als
ambachtsbewaarder van Noordwijk en Noordwijkerhout over 37 ½ morgen 6 stuivers
per morgen.
De tekst luidt als volgt:[2]
"Dirck Jacopsz ghegheve als ambochtsbewaerder van Noortich ende Noortigerhout
van
37 ½ morgen elck morgen 6 st. die ghegaen zijn tot die Waelen In
Sparrendammerdyck".
In 1514 ontving hij als gaarder van het morgengeld 3 groot per morgen, in totaal
3 ponden,
15 stuivers.[3] Ambachtsbewaarders, in die tijd ook wel gezworenen genaamd, traden
voor dijkgraaf en hoogheemraden op als vertegenwoordiger van het "gemene land"
(Rijnland). Ze werden niet aangesteld maar gekozen door meestal de voornaamste
ingelanden. Ze waren onder meer verantwoordelijk voor de inning van heffingen
die nodig waren voor gemeenschappelijke zaken betreffende waterschappen. Als het
om polderzaken ging werden deze kosten zo goed mogelijk "morgen morgensgelijk"
omgeslagen.[4]
In de heffing van 1511 is sprake van de Spaarndamse dijk. In feite was het een
waterkering, gelegen tussen het Spaarne en het IJ, bestaande uit een
aaneenschakeling van maar liefst
8 duikersluizen en één scheepsvaartsluis. De ambachten van Rijnland droegen in
groepen, afhankelijk van de eigen grootte, bij aan de kosten van het onderhoud
of vernieuwing. Tussen 1496 en 1508 richtten een aantal stormvloeden zware
schade aan waardoor de dijk in de Groote Wael te Halfweg bezweek en het zeewater
ongehinderd Rijnland voor het grootste deel overstroomde. Nadat het gat gedicht
was bezweek deze in 1509 en in 1510 opnieuw over een lengte van meer dan 100
meter. Toen in 1514 een stormvloed een doorbraak bij Sloterdijk en de Kruiswael
te Halfweg bewerkstelligde en de dijk bij Spaarndam opnieuw bezweek waren er
opnieuw hoge kosten en was een volgende heffing noodzakelijk.
Behalve als gaarder van morgengeld in zijn functie als ambachtsbewaarder van
Noordwijk komen we Dirck Jacobsz op 4 augustus 1517 tegen in een kenning tussen
hem en Dirck Arijaensz.[5] Op de Rechtsdag in Leiden beweerde hij in zijn dingtaal
dat hij met recht heeft laten inpanden bij Dirck Arijaensz betreffende
morgengeld over 10 1/2 hond land voor een bedrag van drie groten per morgen plus
het pandgeld. Aangezien de gedaagde zich hiertegen verweerde gingen de partijen
een kenning aan. Het is niet bekend wie er heeft gewonnen. De zaak werd
uitgesteld tot de Bamisschouw, genoemd naar de feestdag van St.Bavo [9 oktober
1517], maar werd uiteindelijk op die datum niet behandeld. Misschien zijn de
partijen voor die datum tot een vergelijk gekomen.
Omdat Dirck Arijaensz het morgengeld naar de mening van de ambachtsbewaarder
niet had afgedragen werd er ingepand. Dit betekende dat er beslag werd gelegd op
een bedrag ter waarde van het te betalen pandgeld plus de opslag voor de
gaarder. Soms volgde er een pandkering, dus verzet tegen de beslaglegging,
waarbij er een zelfde bedrag werd ingepand bij de eiser. De zaak werd mondeling
afgehandeld waarbij de wederzijdse standpunten werden vastgelegd. Meestal legde
de beklaagde zich direct na het horen van de aanklacht neer bij de uitspraak.
Dit leidde veelal tot een lagere boete. Indien er verweer was kwam de zaak nog
een keer voor. Op de rechtsdag bij dijkgraaf en hoogheemraden moesten de
partijen hun getuigen of kwitanties tonen, waarna uitspraak volgde.
Dirck Jacobsz kwam zelf ook in konflikt met het Hoogheemraadschap. Op 8 juli
1523 werd een klacht tegen hem en Willem van Egmondt ingediend wegens het weiden
van vee langs de weg in Noordwijk en Noordwijkerhout.[6] "Ithem claecht op Willem
van Egmondt ende lange Dirck Jacobsz alsoe (2x) zy hoir beesten, scapen ende
ander goet weyen ende alsoe der luyden corn ende goet bescadighen in Noortich
ende Noortigerhout ende dat zy elcx daer an verbeurt hebben".
De eis was een boete naar inhoud van de keur die daar over was.
De betreffende keur tegen het beweiden van de Noordwijkergeest "na dattet coern
van den velde is" werd omstreeks 1490 "met rechte" na een kerkgebod vastgesteld.
Vanaf de kansel werden regelmatig mededelingen afgeroepen. Deze wettelijk op te
volgen instructies werden bijvoorbeeld zo nu en dan door een bode van de
dijkgraaf gedaan, die hiervoor jaarlijks een vergoeding ontving.
Zo werd bijvoorbeeld, na overleg met Catwyck op den Ryn in 1536 door de Schout
in Leiden bij de "Heemraet van Rijnlant een versouck gedaen om die wateringe te
mogen diepen", waarop werd geantwoord een kerckgebodt te laten doen. Dit was
nodig omdat de boten door de droge periodes veel hinder hadden van de lage
waterstand.[7]
[1] GANw.Inv.292(1496)fol.12v
[2] GANw.Inv.861(1511)fol.6v
[3] GANw.Inv.861(1514)fol.9v
[4] Mr. S.J. Fockema Andreae, archivaris van Rijnland. - Hoogheemraadschap van
Rijnland, zijn recht en zijn bestuur van den vroegsten tijd tot 1857 / in 1982
opnieuw uitgegeven door Uitgeverij Canaletto, Alphen aan den Rijn.
[5] Register van Bestuurshandelingen van dijkgraaf en hoogheemraden, 1515 - 1520
(1524) / Oud-Archief Hoogheemraadschap van Rijnland. Inv.nr.17 (pag.403-27b) -
Zie ook in: Regesten van de handelingen van dijkgraaf en hoogheemraden / Leiden
1999 samengesteld door J.H.M. Sloof
[6] OAR.Inv.511(gemerkt "No.3") Dingboek fol.26
[7] GANw.Inv.294(gemerkt"B")(1536)fol.7