Hoofdstuk 11

HET NEGENDE ZEGEL

 

GENERATIE 5:
[V-A] CLAES GIJSBRECHTSZ
[V-B] HUIJCH GIJSBRECHTSZ
[V-C] WILLEM JANSZ
[V-D] JOP JANSZ
[V-E] PIETER GIJSBRECHTSZ
[V-F] FLORIS PIETERSZ

INLEIDING

Generatie 5 komt bijna in zijn geheel tot ons door een aantal charters gevonden in het Oud-Archief van de Gemeente Noordwijk.[1] Een charter is een op perkament geschreven akte met daaraan een lakzegel. Soms werden charters getransfixeerd (aaneengehecht) als het noodzakelijk was om ze bijeen te houden. Men deed dit door het lint waaraan later het lakzegel werd bevestigd, door het perkament van het voorgaande charter te vlechten. Zo was het mogelijk om bijvoorbeeld de transportakten van de verkoop van een huis, met de daaraan verbonden voorwaarden zoals erfpacht, te bewaren en daarmee de rechten en plichten die op het eigendom lagen voor de volgende eigenaren duidelijk vast te leggen.

Bij de in het archief gevonden charters ging het maar liefst om 9 getransfixeerde akten. Bovendien besloeg het geheel een tijdvak van meer dan 100 jaar, waarbij bovendien nog eens iedere akte was bezegeld door de Schout, of zijn gesubstitueerde, door een lakzegel in rode of zwarte was. In het bovenstaande geval betrof het de verkoop van een huis dat was gelegen was in Noordwijk-Binnen aan de (Oude) Zeestraat. In de oudste akte, van 14 januari 1545 stonden de bovenstaande namen in de tekst vermeld.
Dit is de oudste akte daterende van 14 januari 1545. De tekst daarin (zie bijlage G voor de originele tekst van Transfix 9 en een beknopte samenvatting van de overige transfixen) luidt als volgt:

Ik, Jan de bastaard van Noortwijck, Schout tot Noortwijck laat een ieder weten dat voor mij en de schepenen gekomen zijn Claes Gijsbrechtsz, Huijch Gijsbrechtsz, Willem Jansz en Jop Jansz vervangende Pieter Gijsbrechtsz hun broer, die "over zee en uitlandig is", die bekenden gezamenlijk verkocht te hebben en bij dezen verkopen aan Floris Pietersz, hun zwager en man van hun zuster, een vrij huis met erf gelegen binnen het dorp van Noortwijck in de (oude) Zeestraet. Welk huis en erf aan de noortwestzijde grenst aan Willem Jansz tot aan het midden van de put en Willem Jansz en Floris Pietersz zullen samen water uit de put mogen halen en samen de reparaties eraan uitvoeren. Het erf strekt zich uit van het midden van de put noordoostwaarts tot aan de wilgenboom, dus zo ver tot daar waar het bleekveld zich nu strekt tot aan het huis en erf van Jan Jansz van Dam en grenst aan de zuidwestzijde aan de Zeestraterweg. De comparanten beloofden voor henzelf voor hun erfgenamen en nakomelingen elk voor hun aandeel en Floris Pietersz en zijn erfgenamen en nakomelingen dit huis en erf te vrijwaren, wat zij van rechtswegen verplicht zijn om te doen binnen Noortwijck. Het huis en erf waarvan Floris zelf een zesde deel bezit en een ieder van hen tot speciale hypotheek hun persoon en de goeden van hun erfgenamen die zij nu bezitten of in de toekomst zullen verkrijgen zouden moeten waarbij geen enkel goed uitgezonderd zal zijn, dat Floris Pietersz of de houder van het koopcontract mag inwinnen met willekeurig recht of met zulk recht als de houder van dit zal willen. Hier beloofden zij, zich op geen enkele wijze tegen te zullen verzetten of doen verzetten zij bekenden terzake van de verkoop door hem goed en deugdelijk betaald te zijn, tot op de laatste penning. In kennis van de waarheid heb ik Jan de bastaard van Noortwijck, Scout mijn zegel hieraan op verzoek en in tegenwoordigheid van de comparanten bevestigd in het jaar des Heren 1545. Daarbij waren als getuigen en bewoners van Noortwijck aanwezig: Pouwels Pouwelsz en Jeroen Jansz coster op de 14e januari.

Uit deze transfix blijkt dat de zonen van Ghysbrecht Jacopsz, aan een zwager van hen, een huis met een erf verkopen gelegen aan de oude Zeestraat. Bekend is dat Floris Pietersz woonde aan het dijeffpadt.

De personen van generatie 5 die in het charter genoemd zijn worden nu apart behandeld. Huyg Gysbrecht [V-B] is de enige waarvan kinderen bekend zijn die de stamboom voorzetten.

[V-A] CLAES GIJSBRECHTSZ

Een jaar later blijkt uit de Dorpsrekening van 1546 Claes Gisbrechtsz in Zeeland te wonen. Hij is overzee en uitlandig, mogelijk was hij visserman.
In de dorpsrekening, gedaan bij Gerrit Garrebrandtsz en Philipsz Jansz, staat een post vermeld aangaande Claes Ghysbrechtsz.[2]
"Ithem ontfangen van Claes Ghysbrechtsz die in Zeelant woont ter cause vande exu, 2 gulden, 10 stuyvers".

[V-B] HUYGH GIJSBRECHTSZ

Huyg Gysbrechtsz alias Huyg Neel Huygensz genaamd was gehuwd met Marijtgen Jansdr, genoemd als bacxster, zij is overleden rond 1579.
Huyg huurde, omstreeks 1559-1564, vier morgen grond in Noordwijkerhout "het harde Campge" genaamd.

Hij komt voor in de lijst van de 10e penning 1561 over Noordwijk binnen.[3]
Deze lijst betreffende "de huysen staende binnen Noordwyck daer gheen landt aen gebruyct en wert dan tuyntgens" is een taxatie over de waarde van het huis en daarover moest 10 % betaald worden. Begonnen werd aan het Oosteinde van het dorp tot het Westeinde werd bereikt. Als nr. 102 op de lijst staat zijn huis: "Huijch Ghysbrechtsz, zyn eygen huys getaxeert voor 5 f. Compt den Xen penning, 14 stuivers."
In 1572 woont Huych Ghysbrechtsz zoals blijkt uit de Dorpsrekening van dat jaar opgemaakt door Wolfert van der Mey nog in Noordwijk. Hij ontvangt dan uit de dorpskas 3 gulden en 3 stuivers.[4]
"Betaelt Huych Ghysbrechtsz in die zeestraet om dat hij die paerden zoude soucken die de Spangairts genomen hadde".
In 1576 wordt hij voor de ommeslagh aangeslagen voor een bedrag van 30 stuivers.[5]

Van de Noordwijkse bevolking was omstreeks 1572/73 meer dan 10 % gevlucht naar binnen de poorten van de stad Leyden. Behalve de zusters van het klooster Leeuwenhorst die last hadden van de rovens Spaanse soldaten, waren het ook een groot aantal burgers die zich bedreigd voelden, waaronder Huych Ghysbrechtsz. Totaal ging het omsteeks om 90 personen.

Op 1 Juni 1577 legden Jan Pietersz en Adriaen Cornelisz in Leyden een verklaring af bij Notaris S.L. vander Wuert. Zij legden een getuigenis af "ten versoucke van Huych Ghysbertsz aliter (anders genaamd) Huych Neel Huygensz" waarin verklaard werd dat deze 3 Morgen land in het ambacht van Noordwijk gelegen huurden van de Zeven getijden van de Vrouwekerk binnen Leyden. Zij verklaarde zeker te weten dat het land in de jaren 1473 en 1474 geen opbrengst opgeleverd had. Verder dat een ander perceel gehuurd van het Barnarditen klooster tot Warmond eveneens geen profijt had opgeleverd, aangezien de requirant (Huych Ghysbertsz) tijdens beide belegeringen in de stad Leiden verbleef. Deze gronden "hebben desert (verlaten) gelegen en tegen wordelick woest es leggende".Bovendien verklaarden zij dat hij behalve andere grote schade en verlies die hij door deze oorlog heeft geleden, ook 16 paarden en ongeveer 12 koeien van hem afhandig gemaakt zijn.[6]

Bij dezelfde Notaris vander Wuert werden op 28 December 1577 door Floris Claesz en cornelis Arentz, buurluyden van Noortwijckerhout, namens Huych Ghysbertsz, buyrman tot Noortwijck verklaard dat zij beschikten over de kennis van 4 Morgen land gelegen, gehuurd van de Abdij van Leuwenhorst, in Noortwijckerhout, welke in 1573 en 1574 geen opbrengst opgeleverd hadden "door beleth van den viant."
De requirant was "geduyerende den voorleden trouble van zyne beesten gerooft en had excessive schade geleden." Zij wilden dit eventueel bij eed te bevestigen.[7]

Huyg woonde in 1578 "aen t noortwesteind achter an den heerwech" volgens de belendingen genoemd in aan akte waarin Cornelis Pietersz lyndraeyer verklaarde een huis met erf gekocht te hebben.[8]

[V-C] WILLEM JANSZ

In 1563 huurt Willem Jansz volgens de Gasthuysrekening van dat jaar een weiland.. In de originele tekst wordt hij genoemd "Willem Jansz Inde Zeestraet". De huur die hij hier voor moet betalen is 7 gulden.[9]
Hiermee wordt aangegeven dat hij daar woonde.

Verder is een voorzichtige conclusie dat Willem Jansz [V-c] en Job Jansz [V-d] broers zijn uit een eerder huwelijk van Neel Huygendr, de vrouw van Ghijsbrecht Jacop Schenertsz [III-a].

In hoofdstuk 7 werd reeds aangegeven dat de gasthuisrekeningen slechts van een aantal jaren bewaard zijn gebleven. In datzelfde hoofdstuk bleek dat Jelis Jansz de mandenmaker, grond overnam om te huren.
Zo ook in de Gasthuisrekeningen over 1526 en 1527 blijkt hij landrenten af te dragen aan de Heijlighe gheestmeester. Het betreft 11 hont weiland en nog 5 hont ander land waarover hij 9 pond betaalt.[10]
Als we de volgorde in de landrentenlijsten, over die jaren die bewaard zijn gebleven volgen, dan zien we in de jaren 1527 en 1528 als huurder Jelis Jansz, in 1531 Neel Huychen en in 1543 Willem Jansz.[11],[12],[13],[14]
In alle vier dezelfde jaren wordt in de volgende post Willem Cornelisz (opt Scie) als huurder aangetroffen in de rekeningen, aangaande een perceel van 4 hont in de Cley.

In 1543 jaar krijgt hij een korting op zijn bijdrage aan de 10e penning van 8 stuivers en een oortken, waarin hij wederom in de lijst vermeld staat als "Willem Jansz in die Seestraet".[15]

In de Gasthuysrekening over 1577 vinden we de naam van Willem Jansz voor de laatste keer terug in de boeken. Quijrijn Zyvertsz Smit is dan degene die de jaarlijkse landhuur, leggende gemeen met "het provenlant laetst gebruyct by Willem Jansz in de Zeestraet" moet afdragen.[16]

[V-D] JOP JANSZ

Job Jansz is de man van Anna Gysbrechtsdr, ze werd na zijn dood Anna Joppen genoemd. In 1551 was hij gezworene.[17]
In het zelfde jaar woonden ze aan de Cruyswech op het Westeinde.
Jop Jansz was in 1557 biersteecker volgens de gasthuysrekening. In 1551 woonden ze aan de Cruyswech op het Westeynde
Mogelijk waren Willem Jansz en Jop Jansz broers.
In 1572 en latere jaren betaald Job Jansz rente op zijn huys en erff, 2 gulden aan het gasthuijs.[18]
In 1577 draagt Jop Jansz, hij wordt dan genoemd Jop Jansz biervoeder hetzelfde bedrag van 2 gulden aan "renten op huys en erf" af.[19]
Dit was ook reeds het geval in 1570 zodat aannemelijk is dat dit een jaarlijkse afdracht betrof.

[V-E] FLORIS PIETERSZ

De naam van zijn vrouw, een dochter van Ghysbrecht Jacopsz [III-a] dus, is onbekend.
Volgens de Ontfang van den Jaerlixe renten, pachten ende landthuyren over 1563 huurde hij "een crofte lant achter die kerck by den dyeffpadt" voor 6 stuivers.[20]
De tekst in 1565 is enigszins anders.[21]
"Floris Pietersz lijndraijer loco Alman Jansz betaelt tsiaers van opstal staende op een croft achter die kerck bij zijn huijs, verschijnt te meij 6 stuivers.
De bedoelde kerk is gelegen bij de St.Jacobsbrug, gelegen ten noordwesten van het huidige Wilhelminahofje en stond bekend als de kapel van Reynestein. Het lag aan het "diefpad" dat naar Noordwijk aan Zee liep. In het Charter blijkt dat de situering van de erven (en de waterput) in het verlengde lagen van het huis en erf van Willem Jansz.
Volgens de Gasthuysrekeningen 1565 lag zijn woning aan het dijeffpadt. In deze akte blijkt dus dat dit in het verlengde ligt van het huis en erf van Willem Jansz.
Mogelijk door de situering van de erven (en de waterput) lag het geheel daar waar de "straten" (paden) zich aaneen sloten en kwamen bijeen naar het pad dat tenslotte naar Noordwijk aan zee liep.

[V-F] PIETER GIJSBRECHTSZ

Pieter Gysbrechtsz wordt ook wel Pieter Neel Huygensz genoemd. Pieter Gysbrechts staat in het Charter betreffende de verkoop van het huis genoemd als zijnde "die over zee ende uytlandich is" Dit betekend waarschijnlijk dat hij visserman was. Verder is er niets gevonden in de archieven.

[V-G] TRIJNTGEN NEEL HUYGENDR

Mogelijk is er nog een andere dochter die niet is vermeld in de akte, namelijk Trijntje Gysbrechtsdr alias Trijntje Neel Huygen [V-G]. Ze komt voor in de Gasthuysrekeningen van 1565 en 1571.
Ze levert bijvoorbeeld in 1565 "3 pondt butter" voor 7 gulden en 14 stuivers.[22]

In 1571 levert ze 12 zakken rogge, die per zak 61 stuivers opbrengen. Het totaal dat Trijntje ontvangt is 27 gulden en 4 stuivers.[23]
De reden, dat Trijntgen niet in het Charter is genoemd is waarschijnlijk dat ze zeer jong en dus nog onmondig was bij de verkoop van het huis in 1545.


[1] GANw.GroteCharterlade.H1-2(1648)
[2] GANw.Inv.294(gemerkt "B")(1546)fol.77
[3] RAZh.Inv.1372(1561)toegang 3.01.03 Nw
[4] GANw.Inv.294(gemerkt"B")(1572)fol.228
[5] GANwInv.291(1576)fol.4
[6] NAL.Inv.6(1577)Aktennr.11
[7] NAL.Inv.6(1577)Aktennr.20
[8] RAN.Inv.164(1578)fol.7v bis
[9] GANw.Inv867(1563)fol.3v
[10] GANw.Inv.864(1527)fol.4v
[11] GANw.Inv.864(1527)fol.6
[12] GANw.Inv.865(1528)fol.5
[13] GANw.Inv.866(1531)fol.3v
[14] GANw.Inv.866(1543)fol.11v
[15] GANw.Inv.866(1543)fol.13v
[16] GANw.Inv.866(1577)fol.68
[17] GANw.Inv.294(gemerkt "B")(1551)fol.97
[18] GANw.Inv.866(1572)fol.39v
[19] GANw.Inv.866(1577)fol.17
[20] GANw.Inv.867(1563)fol.1v
[21] GANw.Inv.867(1565)fol.25v
[22] GANw.Inv.867(1565)fol.31v
[23] GANw.Inv.866(1571)fol.34v


BIJLAGE G


Gemeente Archief Noordwijk

Oud-Archief Noordwijk

Grote Charterlade, Charter H1(1648)-2

9 getransfixeerde akten betreffende de verkoop van een huis aan de (Oude) Zeestraat



Gemeente Archief Noordwijk

Oud-Archief Noordwijk

Charterlade - Charter H1 (1648) / 8 transfixen



Transfix - 9 (dorsaal: Jan Simonsz 1649) (14-1-1545)

Ick Jan die bastart van Noortwijck Scout tot noertwijck due condt allen luijden dat voer mij ende buijeren onderscreven gecomen zyn Claes Gijsbrechtszoen, Huijch Gijsbrechtsz, Willem Jansz, Jop Jansz vervangende Pieter Gijsbrechtsz, hoeren broeder die over zee ende vuytlandich is, bekenden ende geliden met gesamender condt vercoft te hebben ende vercopen midts desen Floris Pietersz hoeren zwager ende suster man, een vrij huijs ende erve staende ende liggende binnen den dorpe van noertwijck in die zeestraet welcke huijs ende erf is belendt an die noertwestzide Willem Jansz tot die halve put toe ende zullen Willem Jansz ende Floris Pietersz die put te samen water vuijthalen ende in Reparatie te samen houden welck erf streckt van die halve pet noertoostwaert tot die wilgenboem toe also vorde als het bleeck nu thans ter tijt is streckende tot Jan Jansz van Dam syn huijs ende erf ende voer die zuijtwestzide ofte zuijtwestendt die zeestraterwech ende deze voersz. Comparanten beloofden voer hoer ende voer hoeren erven ende nacomelingen elcx hoer anpaert Floris Pietersz ende synen erven ofte nacomelingen dit voorsz. huys ende erf te vrijen ende waren als sy dat vande Rechtswegen sculdich sijn te doen binnen die dorpe van noertwyck, welcke huys ende erf Floris voorsz. selver mede een seste paert in heeft sitten een ygelick persoen voersz. tot special ijpoteeck hoer persoens ende hoeren erven gueden die sy miter tijt hebben of vercrigen souden moeten waer dat enige van die gueden behouden sullen worden geen vuijtgesondert dat sal Floris Pietersz of den houder moegen inwinnen met willecoer Recht of met alsulcken Recht als den houder van des gelieven zal . hier beloefden sy comparanten niet tegens te duen noch duen due in geen ander manieren ende dese voersz. comparanten bekende hem wel ende doechdelicken voldaen ende betaelt te wesen van Floris Pietersz vande voersz. coep den lesten penninck met den eersten . In kennis der waerheijt soe heb ick Jan die bastert van noertwijck Scout voersz. myn zegel hier beneden anghehangen ter bede ende in presentie van dese voersz. comparanten Int Jaer ons heren duysent vyfhondert vyf ende tveertich . daerbij waren als tuijgen ende buijeren van noertwijck Pouwels Pouwelsz ende Jeroen Jansz coster opden veertiensten dach Januwarij.


Transfix - 8 (8-3-1570)

Pieter Woutersz Schoudt Inden Amboght van Noordtwyck,

Adriaen Ghysbertsz en Cornelis Pietersz, schepenen.

Floris Pietersz lijndraeyer verkoopt een ”huys metten erffve leggende Inde dorpe van Noordtwyck” aan Pieter Florisz.


Transfix - 7 (15-12-1587)

Joncheer Cornelis vander Bouchorst, Bailliu ende Schoudt,

Joost Jansz en Jacob Gerritsz, schepenen

Joost Arentsz woonende inden Haech, speciale procuratie hebbende van Pieter Florisz zeeman

verkoopt ten behouve van Gerrit Floorisz Schalck ”een vrij huys ende erve etc.” betaald met een schuldbrief van honderd zes en vijftig gulden.


Transfix - 6 (dorsaal: Tonis Symonsz Capiteijn) (4-6-1609)

Johan van Heusden Cornelisz Bailliu ende Schout,

Jeroen Jansz [Wiel] en Pieter Claesz, schepenen

Floris Gerytsz lijndrayer onsen buyrman verkoopt een huijs en erf

belent NO en NW: Jacob Jonisz, ZO: Jan Symonsz en ZW: de zeestraterwech aan Dirck Dircxsz lijndrayer betaald door middel van ”ruylinge van zeeckere huysinge, erve ende lynbaen”.


Transfix - 5 (4-6-1609 / op dezelfde dag als vorige transaktie)

Johan van Heusden Cornelisz Bailliu ende Schout,

Jeroen Jansz [Wiel] en Pieter Claesz, schepenen

Dirck Dircxsz lijndrayer onsen buyrman, mitsdesen Annetgen Huybertsdr, wedue wijlen

Pieter Cornelis duynmeyer, belent idem als transfix - 6

betaald met een somme van honderd vijftig gulden in gereed geld.


Transfix - 4 (4-5-1631)

Pieter Cornelis lijndrayer als bij provisie gesubstitueerde schout, Garbrant Pietersz en Arie Jansz, schepenen van de heerlicheijt van Noortwyck Krijn Gerritsz lijndrayer onsen buijrman als getrout hebbende Machteltgen Pietersdr, dochter van Pieter Cornelis duijnmeyer en Annitgen Huijbertsdr, beide zaliger aan Jeroen Jacobsz lijndrayer onsen buyrman een huys en erve Inde Zeestraet belent NW: Wolphert Florisz, ZO: de wedue van Jan Symonsz [decker] en ZW: de voorsz. Zeestraet betaald met een custingbrieff.


Transfix - 3 (29-5-1635)

Cornelis vander Burch gesubstitueerde van Joncheer Johan vander Does van Noortwyck, Baliu en schout der heerlickheijt van Noortwyck, Heyndrick Barentsz [slothemaker] en Cornelis Huijgensz [Warmenoven], schepenen Jeroen Jacobsz verkoopt ten behouve van Cornelisge Jans jonge dochter ”zeeckere huijsinge en erffve staende en legghende aende zeestraet” belent zelfde als transfix - 4

betaald met een schuldbrief.


Transfix - 2 (16-5-1640)

Gererdt van Meyburch baliu en schout der heerlickheyt van noortwyck binnen ende op zee Abram Stoffelsz nieut ende Cornelis Huygen [Warmenoven] out schepen Cornelisgen Jansdr ongehoudelickt persoon geassisteert met Leenaert Cornelisz, haar voogd verkoopt ten behouve van Cornelis Willemsz [Ruych] een huysinge ende erffve belent NW en NO: de wedue ende erffgen van Wolphert Florisz, ZO: de wedue van Jan Symonsz decker, ZW: de zeestraet betaald met een somme van vier honderd gulden in contante gelden.


Akte - 1 (30-4-1648)

Daniel vander Bouckhorst Schoudt,

Mees Sijmonsz en Jeroen Jansz Schoute, schepenen

Thonis Symonsz Capiteijn verkoopt ten behouve van Jan Sijmonsz

(NB. dit kan niet dezelfde zijn als als in transfix -2 en transfix -6)

een huijs ende erff staende en leggende aende Oude zeestraet tot Noortwijck binnen.

Belent NW en NO: de wedue van Wolphert Flooren, ZO: Henrick Symonsz Capiteijn

ZW: de voorsz. zeestraat, betaald met een somme van vier honderd gulden in contante gelden.